Nieuws

Slim Zoeken

Federale mobiliteitsenquête

Private en publieke werkgevers met gemiddeld meer dan 100 werknemers moeten, net als in 2005, 2008 en 2011, opnieuw de federale mobiliteitsenquête, ook wel diagnostiek woon-werkverkeer genoemd, invullen en aan de FOD Mobiliteit en Vervoer bezorgen.


In deze enquête wordt gepeild naar de woon-werkverplaatsingen van de werknemers, de bereikbaarheid van de onderneming met diverse vervoermiddelen, de maatregelen die de werkgever al genomen heeft of plant te nemen met het oog op het verbeteren van de mobiliteit, …

De vragenlijst voor 2014 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 juli 2014.

Nieuw in vergelijking met de vorige edities is dat er werk gemaakt werd van een vereenvoudiging en grotere gebruiksvriendelijkheid.

Om in te spelen op belangrijke maatschappelijke evoluties wordt in de editie 2014 een nieuwe vraagingelast waarin gepeild wordt naar het al dan niet aanbieden van een mobiliteitsbudget aan de werknemers, alsook naar de eventuele inhoud ervan.
Ook voor telewerk (thuiswerk en in satellietkantoren) wordt een aparte vraag voorzien.

Formulier gepubliceerd: aan de slag met de federale mobiliteitsenquête!

Juridische inhoud

1. Toepassingsgebied

De reglementering voorziet in de opmaak van een driejaarlijkse enquête.

Na de bevragingen uit 2005, 2008 en 2011 volgt dus nu de versie 2014.

In een notendop komt de procedure neer op het volgende:
• verplicht voor werkgevers met gemiddeld minstens 100 werknemers;
• verslag gebeurt op basis van de toestand op 30 juni 2014;
• één verslag voor elke vestiging met gemiddeld minstens 30 werknemers.

1.1. Betrokken werkgevers

Alle werkgevers, zowel uit de private als openbare sector, die gemiddeld meer dan 100 werknemers tewerkstellen, moeten de enquête invullen en doorsturen.

De telling van de werknemers gebeurt als volgt:
private sector:

De gemiddelde tewerkstelling in de periode 1 juli 2013 - 30 juni 2014 berekenen we op de volgende wijze:
• Stap 1: voor werknemers die contractueel minstens 75% van het voltijds uurrooster presteren, delen we het aantal dagen in dienst in deze periode door 365;
• Stap 2: voor werknemers die contractueel minder dan 75% van het voltijds uurrooster presteren, delen we het aantal dagen in dienst door 365 en daarna door 2;
• Stap 3: we tellen de resultaten van stap 1 en 2 bij elkaar op.
Voor uitzendkrachten is de berekening gelijkaardig. Alleen telt men slechts 1 kwartaal met als laatste dag 30 juni 2014 en deelt men door 92 i.p.v. 365.
Het resultaat wordt bij de andere werknemers opgeteld.

publieke sector: (overheidsdiensten en autonome overheidsbedrijven):
We tellen het aantal statutairen en contractuelen met minstens 1 jaar anciënniteit die op 30 juni 2014 in dienst zijn.

Wanneer het resultaat van deze telling meer dan 100 is, moet de werkgever aan de enquête deelnemen.

Opmerking 1
Externe werknemers (werknemers betaald door een andere werkgever) moeten niet meegeteld worden voor de verplichting (> 100) maar wel voor de enquête (≥ 30).

Opmerking 2
Ook een school met minder dan 101 werknemers/leerkrachten kan een oproep tot deelname krijgen.
Dit komt omdat het aantal werknemers op het niveau van de inrichtende macht moet bekeken worden.
Voorbeeld
Een gemeentelijke school is een vestigingseenheid van de gemeente (inrichtende macht). Wanneer de inrichtende macht aan meer dan 100 werknemers komt, dan moet ze deelnemen voor elke vestigingseenheid (o.m. school) met minstens 30 werknemers (incl. leerkrachten).


1.2. Welke vestigingen?

1.2.1. Definitie


Een vestiging is de plaats die men geografisch kan identificeren door een adres en waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend.
Deze omschrijving is dezelfde als deze in het kader van de toekenning van vestigingseenheidsnummers door de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

Dit kan bijvoorbeeld een werkplaats, fabriek, winkel, verkooppunt, zetel, opslagplaats, agentschap of filiaal zijn.

Opmerking
Als de werkgever vaststelt dat aan een vestiging geen nummer of een foutief nummer werd toegekend, moet hij dit nummer eerst aanvragen/laten corrigeren vooraleer het mobiliteitsverslag voor die vestiging te kunnen opmaken.

Commerciële bedrijven kunnen zich rechtstreeks tot een ondernemingsloket wenden; niet-commerciële bedrijven moeten de RSZ contacteren.
Gemeentes en provincies kunnen terecht bij RSZ-PPO; het gemeenschapsonderwijs moet het departement Onderwijs contacteren.
De contactgegevens zijn opgenomen in de lijst met veel gestelde vragen, terug te vinden op de website van de FOD Mobiliteit.

1.2.2. Gemiddeld minstens 30 werknemers

De werkgever moet een verslag opmaken voor elk van zijn vestigingen met gemiddeld minstens 30 werknemers.
Een verslag voor de hoofdzetel is m.a.w. enkel verplicht wanneer ook daar gemiddeld minstens 30 werknemers tewerkgesteld zijn.

Om het gemiddelde te berekenen, moet dezelfde werkwijze gevolgd worden als om na te gaan of men de drempel haalt om aan de enquête deel te nemen (zie 1.1.).

Openbare instellingen moeten een verslag opmaken voor alle vestigingen waar op 30 juni 2014 minstens 30 personeelsleden zijn tewerkgesteld.

1.2.3. Welke werknemers?

Uit het enquêteformulier dat gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad blijkt dat het verslag betrekking moet hebben op:
alle werknemers die op 30 juni 2014 op grond van een arbeids- of leerovereenkomst of door een statuut tewerkgesteld zijn en die 50% of meer van hun arbeidstijd in de vestigingseenheid presteren.
Het is niet vereist dat zij op 30 juni 2014 ook effectief lichamelijk aanwezig zijn op de vestiging.
externe werknemers die aanwezig zijn in de vestigingseenheid maar tewerkgesteld worden door een andere werkgever.
Enkel de externen die 50% of meer van hun arbeidstijd in de vestiging presteren, moeten vermeld worden.
Het kan daarbij gaan om door de Gemeenschap ter beschikking gestelde leerkrachten, gedetacheerd personeel, consulenten enz.

Het totale aantal werknemers waarvoor de enquête effectief moet ingevuld worden, betreft de werknemers (de externen inbegrepen) die minstens de helft van hun werkdagen in de vestigingseenheid beginnen en eindigen.
Wie daaraan niet beantwoordt, moet niet opgenomen worden omdat de woon-werkverplaatsingen van deze werknemers niet van belang zijn voor de analyse van de verkeersstromen die de vestigingseenheid genereert.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan handelsvertegenwoordigers, werfarbeiders, telewerkers, enz.

2. Mobiliteitsenquête versie 2014: inhoud

Het verslag bevat enerzijds de identificatiegegevens van de betrokken werkgevers/vestigingseenheden en anderzijds een aantal specifieke inlichtingen over de woon-werkverplaatsingen van de werknemers.

2.1. Identificatiegegevens

Voor elke vestigingseenheid met gemiddeld minstens 30 werknemers moet een afzonderlijk verslag opgesteld worden.

Dit met vermelding van:
• het vestigingseenheids- en ondernemingsnummer bij de KBO;
• de naam, het volledige adres en de activiteitsector;
• het voornaamste paritair comité voor arbeiders en/of bedienden.
Deze gegevens zijn gekend bij de KBO en worden dan ook automatisch aangevuld bij de invoering van de enquête op de website van de FOD Mobiliteit.

Het voornaamste overlegcomité (publieke sector) moet wel zelf ingevuld worden, evenals de gegevens van de contactpersoon voor de mobiliteitsaspecten.

2.2. Inlichtingen woon-werkverplaatsingen

Deze informatie wordt opgevraagd in tabelvorm, opgedeeld in volgende blokken:

Organisatie arbeidstijd - beschrijving uurroosters
Bevat een beschrijving van het uurrooster [vast (tijdens of buiten de spitsuren) / glijdend / ploegenstelsel / onregelmatig] van de werknemers, van maandag tot vrijdag.

Verplaatsingswijze van de werknemers met indeling naar woonplaats
Enerzijds wordt gepeild naar de hoofdverplaatsingswijze van de werknemers. M.a.w. naar het vervoermiddel waarmee het grootste deel van het jaar de langste afstand in de woon-werkverplaatsing wordt gemaakt.
Er kan daarbij een opsplitsing gemaakt worden tussen mannen en vrouwen, maar dat is niet verplicht.

Anderzijds wordt de hoofdverplaatsingswijze gekoppeld aan de postcode van de woonplaats.
Deze tabel moet minstens voor 40% van de werknemers (over alle vervoersmodi samen) ingevuld worden.
Merk op dat dit een vereenvoudiging is t.o.v. de vorige versie, waar de tabel moest ingevuld worden voor 90% van de werknemers die het openbaar vervoer of de fiets als hoofdverplaatsingswijze gebruikten.

Nieuw facultatief deel
Er wordt ook de mogelijkheid geboden om de verplaatsingswijzen aan te duiden voor het voortraject en het natraject die eventueel zijn gebruikt en waarmee de grootste afstand van en naar de hoofdverplaatsingswijze wordt afgelegd.
Werknemers die met de auto of de fiets van deur tot deur rijden, hebben bijvoorbeeld geen voor- of natraject.

Bereikbaarheid vestigingseenheid
Hierin wordt gepeild naar de beschikbare parkeerplaatsen en of -faciliteiten voor wagens, fietsen, brom- en motorfietsen enerzijds en naar de aanwezigheid van een halte van het openbaar vervoer in de nabijheid van de vestigingseenheid anderzijds.

Nieuw - facultatief luik - bijkomende inlichtingen parkeerplaatsen
Hierin wordt gepeild naar de aanwezigheid van betalende (publieke) parkeerplaatsen maar ook naar het eventuele (nog te voorziene) aanbod van een oplaadpunt voor elektrische wagens en (brom)fietsen.

Maatregelen die de werkgever op het vlak van mobiliteitsbeheer op de vestigingseenheid genomen of gepland heeft
Hier wordt een lijst van maatregelen opgesomd, onderverdeeld in de clusters fiets/carpool/collectief vervoer/divers.
De werkgever moet aanduiden of de maatregel:
• al in voege is;
• niet in voege is en ook niet gepland;
• gepland is in de toekomst.

NIEUW
Om in te spelen op belangrijke maatschappelijke evoluties wordt er een aparte vraag ingelast over het mobiliteitsbudget.
Het mobiliteitsbudget is een budget dat de werknemer ter beschikking kan krijgen voor verschillende mogelijkheden van vervoer. Hij beslist mee over de invulling van dat budget, in functie van zijn persoonlijke behoeften, mogelijkheden en wensen op het vlak van mobiliteit.
In de enquête peilt men naar het aanbod (aan alle/een deel/geen van de werknemers) en de eventuele inhoud ervan.

Ook nieuw is dat er een aparte vraag gesteld wordt over telewerk (thuiswerk en werken in satellietkantoren).
Is er al dan niet een aanbod en waaruit bestaat dat concreet.

Specifieke mobiliteitsproblemen op de vestigingseenheid
Hierin wordt gevraagd of men al dan niet problemen ondervindt op het vlak van mobiliteit. Er wordt opnieuw gewerkt met enkele clusters: auto of motorfiets / fiets / collectief vervoer / andere eventuele problemen.

3. Procedure

3.1. Invullen


De vragenlijst wordt ingevuld via een internettoepassing, ter beschikking gesteld door de FOD Mobiliteit.
De werkgever moet hiervoor beschikken over een gebruikersnaam en paswoord. Deze zijn dezelfde als degene die de werkgever gebruikt als lokale beheerder of gebruiker van de elektronische toepassingen van de sociale zekerheid.
Ter voorbereiding van het ingeven via de internettoepassing, is de vragenlijst beschikbaar in verschillende formaten (waaronder Word).

Hoe de gegevens intern verzameld worden, is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Er bestaat hiervoor geen standaardformulier.
De werkgever mag zelf beslissen welke vragen hij stelt aan zijn werknemers (bijvoorbeeld enkel hoofdvervoermiddel en postcode woonplaats).

De FOD Mobiliteit stelt in de loop van juli 2014 een hulpmiddel ter beschikking dat toelaat de werknemers via e-mail te ondervragen.
De gegevens worden dan automatisch gegroepeerd per postcode en kunnen geïmporteerd worden in de internetapplicatie.

3.2. Advies

Vooraleer het verslag aan de FOD Mobiliteit te bezorgen, moet de werkgever het voor advies voorleggen aan de ondernemingsraad (privésector) of aan het bevoegde overlegorgaan (publieke sector), of bij gebrek daaraan aan de vakbondsafvaardiging.

Zij hebben 2 maanden de tijd om een advies te formuleren.

Indien er geen ondernemingsraad, overlegorgaan of vakbondsafvaardiging is, moeten de werknemers op de hoogte gebracht worden van de resultaten van de enquête.
Zij moeten hierover geen advies uitbrengen.

3.3. Verzending

De ingevulde vragenlijsten moeten uiterlijk op 31 januari 2015 op elektronische wijze ingediend worden bij de FOD Mobiliteit, via de online-applicatie.

4. Verplichte deelname

Het invullen van de federale mobiliteitsenquête is wettelijk verplicht.

De diagnostiek is begrepen bij de documenten waarvan de ondernemingsraad kennis moet krijgen.
Wanneer men de enquête niet invult, of de geijkte procedure niet volgt, kan dit bestraft worden met een sanctie van niveau 2 (hetzij een strafrechtelijke geldboete van 300 tot 3.000 EUR, hetzij een administratieve geldboete van 150 tot 1.500 EUR).

5. Waarom deze enquête?

Het doel van de federale diagnostiek is tweeledig:
• enerzijds indicatoren en statistieken aanreiken ter ondersteuning van het mobiliteitsbeleid op verschillende niveaus;
Zo vormt de enquête een waardevol instrument voor politieke besluitvormers, vakbonden, onderzoekers, deskundigen en bewegingen geïnteresseerd in de mobiliteitsproblematiek.
• anderzijds het debat inzake mobiliteit binnen de ondernemingen en openbare instellingen via sociaal overleg aanmoedigen.

Per vestigingseenheid zal de FOD Mobiliteit een gepersonaliseerd verslag opstellen dat statistische informatie bevat (bedrijfsprofiel, evolutie van maatregelen voor duurzame mobiliteit die in het bedrijf in voege zijn, enz.) maar ook praktische info (aanbevolen mobiliteitsmaatregelen met voor elk van de maatregelen de "quick wins" voorop, fiscale mogelijkheden, nuttige links, enz.).

Binnenkort zal de FOD de vestigingseenheden via een nieuwe website toegang verlenen tot dit gepersonaliseerd verslag, gebaseerd op de resultaten van de vorige edities van de federale mobiliteitsenquête.
Gevolgen voor de werkgever
De overheid neemt dit jaar opnieuw een mobiliteitsenquête af bij alle Belgische ondernemingen die gemiddeld meer dan 100 werknemers tewerkstellen.
Deze enquête moet verplicht ingevuld worden en uiterlijk op 31 januari 2015 elektronisch ingediend worden bij de FOD Mobiliteit.

Bron: Ministerieel besluit van 30 juni 2014 tot wijziging van het ministerieel besluit van 29 oktober 2004 houdende vaststelling van de wijze waarop de gegevens ten behoeve van de databank inzake woon-werkverkeer worden opgevraagd.

LWB Logo Bottom

Bedrijfsinformatie

Doelvoetstraat 7
B-3580 Beringen
tel +32 11 45 60 60
fax +32 11 45 38 49
info@lwb-info.be

Social media

linkedin icoonFacebook icoon


KMO small

LWB is een partner van:  SDWORX